Religieuze beperkingen

In de Volkskrant van 25 juli 2016 schrijft Reinout Wibier, hoogleraar Privaatrecht aan dezelfde universiteit als waar ik werk, een opiniestuk getiteld “Atheïsten zijn beperkte mensen.” In dit artikel dicht hij religie een charitatieve, inspirerende en troostende rol toe, die (domme) atheïsten niet wensen te zien. Bovendien beweert hij dat atheïsten niet begrijpen dat alle argumenten die je tegen religie kunt aanvoeren net zo goed gebruikt kunnen worden tegen de door atheïsten zo verheerlijkte wetenschap.

Wat mij behoorlijk tegen de haren instrijkt wat betreft de inhoud van dit artikel, is dat het atheïsten argumenten in de mond legt die ikzelf nooit zou gebruiken om mijn atheïstische overtuiging te verdedigen. Het artikel begint als volgt:

“In sommige kringen is het een teken van beschaving en ontwikkeling om praktiserend atheïst te zijn. Religie is een achterhaald concept en de bron van onnodig geweld en leed, zo is de gedachte.”

Al bij de tweede zin slaat de heer Wibier de plank mis. Men is geen atheïst omdat religie zoveel kwaad in de wereld plaatst. Wie zich afkeert van georganiseerde religie vanwege het kwaad dat verricht wordt, kan nog steeds een niet-religieus gelovige zijn. Een atheïst gelooft niet in god enkel en alleen omdat er geen objectieve reden is om aan te nemen dat er een god bestaat.

Dat religie vaak gebruikt wordt om kwaad te verrichten, wat de heer Wibier ruimhartig toegeeft, doet niet ter zake. Evenmin is het voor het betoog van belang dat er ook goede daden verricht worden in de naam van religie, noch dat wetenschap voor goed en kwaad kan worden ingezet. Niks van dit alles heeft te maken met of men wel of niet in een god gelooft.

Feitelijk kan ik hier met mijn weerwoord tegen Wibiers artikel stoppen, want het grootste deel ervan gaat om het illustreren van deze tweede zin en vervolgens het deels ontkrachten ervan. Over atheïsme zegt dat echter niks. Maar omdat tussen de regels door Wibier suggereert dat religie meer bijdraagt dan dat het wegneemt, en dat atheïsme, of liever gezegd de wetenschap die hij op een hoop wenst te gooien met atheïsme, het niet beter doet dan religie, wil ik toch nog iets dieper op zijn argumenten ingaan.

Dat atheïsten soms meewarig neerkijken op “domme gelovigen” die blind een religieus leider volgen zal ik niet ontkennen. Als Wibiers betoog meer gericht is op de zelfingenomenheid van sommige mensen die zich atheïst noemen en die daarvoor gebrekkige argumenten in de strijd werpen, dan geef ik hem geen ongelijk, hoewel ik zijn eigen verhaal dan tegen hem moet keren en erop wijzen dat dit soort arrogantie juist bij religieuzen de norm is, zelfs al prediken ze nederigheid.

Ik ontken ook niet dat geloof mensen van steun kan zijn in moeilijke omstandigheden — doch ik wil vraagtekens stellen bij het idee dat dat een terrein is waar religie een soort alleenrecht heeft. Een nog groter vraagteken zet ik bij Wibiers opmerkingen omtrent religieus geïnspireerde goede doelen — alsof religie een noodzakelijk gegeven is om mensen “goed” te laten doen.

Net als Wibier heb ik in principe geen probleem met het al dan niet gelovig zijn van mensen. Geloof is een subjectieve keuze, en zolang het dat blijft, behoort het wat mij betreft tot de onaantastbare individuele vrijheden die een mens heeft.

Ik heb persoonlijk wel moeite met mensen die “goed doen” puur en alleen omdat hun religie dat voorschrijft. Dan ligt mijn sympathie veeleer bij de humanist, die zijn idee over hoe hij moet omgaan met zijn medemensen laat afhangen van zijn eigen moreel besef. Mensen die hun morele inzichten laten bepalen door een religie, meestal vertegenwoordigd door een religieus leider, zouden kennelijk net zo lief kwaad doen als hun religie dat opdraagt. Immers, religie vertegenwoordigt een “waarheid” die niet in twijfel getrokken kan of mag worden.

De essentie van wetenschap is dat er geen ultieme waarheid is, en dat alle stellingen, alle theorieën en alle bevindingen door iedereen betwijfeld kunnen, mogen, en moeten worden. Bij alles wat gesteld wordt, is men geacht te vragen “Is dat wel zo? Hoe weet je dat? Hoe is het getest? Welke voorspellingen kun je ermee doen die, als ze niet uitkomen, het gestelde ontkrachten?” Daaraan dankt de wetenschap haar kracht, en daardoor heeft de wetenschap geleid tot een technologische, geestelijke, maatschappelijke, en ethische vooruitgang waarbij de duizenden jaren stilstand in de tijd dat de religie het voor het zeggen had maar schril afsteken.

Georganiseerde religie kan het goede in mensen naar boven halen, maar ook het kwade. Of het nu een imam is die oproept tot vrede of tot het plegen van aanslagen, of de paus die naastenliefde of homohaat predikt, of een politicus die oproept om vrijwilligerswerk te doen of om immigranten een lesje te leren: eenieder die doet wat een al dan niet religieus leider opdraagt puur en alleen omdat die leider het zegt, is een gevaarlijk en verwerpelijk mens. Het kwalijke van religieuze instellingen is dat dit soort blinde mensen gezien wordt als de meest waardevolle leden van de gemeenschap, terwijl de wetenschap juist de vrijdenkers omarmt.

Wibier besluit met te zeggen:

“Maar wie religie categorisch afwijst als achterhaald of slecht is net zo oppervlakkig, beperkt, en misschien zelfs wel onverdraagzaam als diegenen die wetenschap afdoen als de bron van alle kwaad.”

Welnu, collega Wibier: ik wijs religie categorisch af — althans in de vorm dat het van mensen eist dat zij hun denken en moreel besef overdragen aan een instantie, waarvan de leiders uitmaken hoe de mensen moeten handelen. Dat religie een hoop mooie en goede dingen heeft opgeleverd weegt niet op tegen het inherente verlangen van alle religieuze instanties om mensen te bombarderen tot willoze schapen die gedachtenloos de herder volgen. Niet voor niks wordt in de RK Kerk constant gerefereerd aan “de kudde” als men het over de gelovigen heeft.

Ik denk echter dat het “blind achter een leider aanlopen” gelukkig iets is wat niet veel mensen in deze karikaturale vorm doen — althans niet in onze Westerse maatschappij — of ze nu gelovig zijn of niet. Of, met een iets meer cynische blik: ik denk dat blinde volgers van gevaarlijke leiders net zo vaak gevonden worden in de religieuze als in de niet-religieuze hoek.

De verlichte vorm van religie, waarin gelovigen het eigenlijk ook niet allemaal zeker weten, en waarbij ze enigszins lacherig doen over het idee dat er een onfeilbare religieuze leider is die namens god spreekt, is een onschuldige vorm van vermaak die een steunende rol kan vervullen voor hen die er, wellicht wat naïef, gevoelig voor zijn. Maar mijn respect leg ik toch sneller bij bewuste atheïsten, die de argumenten voor het bestaan van god gewogen en te licht bevonden hebben, en die dus met geen mogelijkheid uitkomen onder het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor hun daden.

Hoe dit in enig opzicht gezien kan worden als een reden om atheïsten ervan te betichten beperkte mensen te zijn, gaat mijn pet te boven.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: